De eerste
Samojeden in Engeland, ca. 1905
Van links naar rechts:
Prince Zouroff, Russolene, Pearlene, Yugolene en Nansen, geflankeerd
door pups.
The Early Standard
The First Standard
Colour
Pure white; with slight lemon markings; brown and white; black and
white. The pure white dogs come from the farthest north, and are most
typical of the breed.
Expression
Thoughtful and remarkably pretty in face; fighting instincts strongly
pronounced when aroused.
Intelligence
Unusual intelligence, as shown by the many purposes for which dogs are
used by the Samoyede people and the ease with which they can betaught
tricks.
Size and
Weight
Dogs 19 to 21,5 inches at the shoulders; bitches 18 to 19,5 inches at
the shoulders; weight about 40 lbs.
Head
Powerful-looking head, wedge-shaped, but not foxy. Wide and flat
between ears, gradually tapering to eyes; stop not too pronounced;
absolutely clean muzzle, not too long, with no lippiness; strong jaws
and level teeth. The nose may be either black or flesh-coloured.
Eyes
Very expressive and human-like, sparkling when excited; set obliquely
and well apart. Eyes should be dark for preference, but other colours
are admissible.
Ears
Pricked, set wide apart, and freely movable; set slightly back in
contradistinction to the ears of the Eskimo and Chow-Chow, wich are
forward; shape triangular, and not too large; tip slightly rounded.
Body
Body shapely, but not cobby, with
straight back; muscular, with deep ribs; chest wide and deep, showing
great lung power; straight front and strong neck.
Legs
Good bone, muscular and not too long; thighs well feathered; forelegs
straight; hindlegs sinewy, and set for speed.
Feet
Long, and slightly spread out to get good grip; toes arched and well
together; soles hairy and well padded to give grip and protection from
ice and snow.
Brush
Long, with profuse spreading hair; carried
over back or side when on the alert or showing pleasure; when at rest,
dropped down, with slight upward curve at end.
Coat
Long and thick standing well out all over
body, especially along back; free from curl; undercoat very soft and
wooly; large, bristling ruff; har on head and ears short and very
smooth.
De Eerste Standaard
Kleur
Zuiver wit, wit met lichtgele aftekeningen; bruin en wit; zwart en wit.
De zuiver witte honden, uit de meest noordelijke streken, zijn het
meest typisch voor het ras.
Uitdrukking
Bedachtzaam en een opmerkelijk vriendelijke gezichtsuitdrukking;
vechtinstinct zeer uitgesproken wanneer ze opgewekt wordt.
Intelligentie
Ongebruikelijk intelligent, zoals blijkt uit de vele taken waarvoor de
honden worden gebruikt door het Samojedenvolk en het gemak waarmee ze
kunstjes kunnen leren.
Afmetingen
en gewicht
Schofthoogte bij de reuen 48 tot 55 cm, bij de teven 46 tot 50 cm.
Gewicht
ongeveer 18 kilo.
Hoofd
Krachtig
uitziend, wigvormig, maar niet vosachtig;Breed en plat
tussen de oren, geleidelijk taps toelopend naar de ogen; stop niet al
te
uitgesproken; strakke snuit, niet te lang, zonder dikke lippen; sterke
kaken en rechte tanden. De neus kan zwart of vleeskleurig zijn.
Ogen
Vol uitdrukking en menselijk aandoend, schitterend bij
opwinding;
schuin geplaatst en goed uitelkaar. Ogen bij voorkeur donker, andere
kleuren geoorloofd.
Oren
Rechtopstaand,
ver uit elkaar en beweeglijk. Enigzins naar achteren geplaatst, dit in
tegenstelling tot de oren van de Eskimohond en de Chow-Chow, die naar
voren staan. Driehoekkig van vorm en niet te groot. Aan de punten
licht afgerond.
Lichaam
Goedgevormd lichaam, maar niet gedrongen,
met rechte rug; gespierd, met diepe ribben; Borst breed en diep, wat
wijst op krachtige longen; recht front en sterke hals.
Benen
Stevige botten, gespierd en niet te lang, dijbenen goed bevederd;
voorbenen
recht; achterbenen pezig en op snelheid gericht.
Voeten
Lang en
enigzins gespreid voor een goede grip; tenen gebogen en goed aaneen;
voetzolen behaard en met stevige voetkussens, voor een goede grip en
als
bescherming tegen ijs en sneeuw.
Staart
Lang met overvloedige uitstaande beharing; over de rug of zijkant
gedragen als de hond waakzaam is of plezier heeft; in rust
omlaaghangend met de punt iets omhoog gebogen.
Vacht
Lang en
dik, goed uitstaand over het hele lichaam, vooral op de rug; vrij
van krul; ondervacht zacht en wollig; grote borstelige kraag; haren op
het hoofd en de oren kort en heel zacht.

